dinsdag 1 november 2011
We gaan de dienstverlening aan u optimaliseren
Het staat er heel duidelijk. Toch lees ik voor de zekerheid de brief van KPN-Planet nog maar een keer. De meest gemaakte fout in de intermenselijke communicatie is toch wel dat je de ander ongeveer inschat als jezelf. Dus, in dit geval, dat ik verwacht dat Planet mij net zo slim vindt als ik Planet. Maar ik zit ernaast! Planet denkt dat ik van een andere (minder slimme) planeet kom. Ze vinden dat mijn e-mail-only abonnement niet meer van deze tijd is. Ooit was Planet mijn allereerste provider. Ik ben van het type 'trouwe klant'; zeg maar gerust de kruising labrador met golden retriever in uw klantenbestand. Ook toen ik er via mijn eigen desviodomein en - in verband met internet via de kabel - van chello accounts erbij kreeg, zegde ik Planet niet op.
Een beetje geholpen werd ik wel, ik geef het toe. Ik herinner me nog het telefoontje met de helpdesk van Planet. Eigenlijk belde ik om op te zeggen, maar de juffrouw van het callcenter had toen nog de instructie om me voor te rekenen dat ik een dief van mijn eigen portemonnee was om mijn e-mailadres bij Planet op te zeggen.
Nu heeft Planet een heel andere rekensom voor me. Als ik niks doe, gaat mijn abonnement van 17,50 euro per jaar automatisch over in een nieuwe overeenkomst die mij - slechts! - 3 euro 50 per maand kost. Ben ik nu die calculerende burger die dan de rekenmachine pakt en uittelt dat me voor iets waar ik niet om vraag ruim twintig euro meer wordt gefactureerd?
Wie dem auch sei, ik maak die rekensom wel en bel meteen maar even met het gratis nummer van Planet. Ik kan de juffrouw van de helpdesk geen prettige morgen wensen, want mijn vraag of ze bij Planet denken dat ik van de pot gerukt ben, doet haar ochtend sowieso geen goed. Natuurlijk formuleer ik wat zorgvuldiger, maar de vraag of Planet mijn intelligentie wil beledigen heeft een soortgelijke impact.
Ze doet het niet slecht, de juffrouw van Planet. Al hoor ik wel dat ze niet aan de telefoon is gezet om schade te voorkomen. Ik ben terecht gekomen in een grote opruiming, maar het voordeel is niet voor mij. Planet ruimt haar oude en onrendabele klanten op en al heel snel rekent de empathische callcenterjuf me voor dat ik per direct kan opzeggen en mijn resterende abonnementsgelden per omgaande teruggestort zal krijgen.
Op mijn vraag of ze - behalve dat dan maar te doen - ook de directie van Planet van mijn ongenoegen op de hoogte wil brengen, gaat ze gelaten in. Die belofte staat! Net als de aankondiging dat ik vanaf de volgende morgen geen gebruik meer kan maken van mijn e-mailadres bij Planet. Een beetje weemoedig, maar eigenlijk meer boos en verontwaardigd stuur ik iedereen in mijn adresboek meteen een mailtje.
Daarin de boodschap dat josrochette@planet.nl opgehouden heeft te bestaan en het verslag van mijn superieure consumentschap in relatie tot dat vermaledijde Planet Internet. Ooit als rebel begonnen, maar na de overname door tante Pos gewoon een bedrijf geworden dat de aandeelhouders te vriend moest houden. Dus waar onrendabele klanten moeten worden gedumpt tenzij ze dom genoeg zijn om meer te betalen voor hetzelfde.
Ik krijg van twee geadresseerden een opgestoken duim op mijn Planet-afscheid-mailtje. De rest heeft het klaarblijkelijk al moeilijk genoeg met het afhouden van prijsverhogingen die zich aandienen als optimalisatie van de geboden dienstverlening. Ik kan me er iets bij voorstellen.
maandag 3 oktober 2011
Overgang (2)
Overgang (2)
Wat zijn we in Nederland dan toch praktisch! Als er bij ons een rivier door de stad loopt, maken we er ook meteen flink gebruik van. Of het moet de Dommel zijn in mijn geboortestad Eindhoven zijn. Daar heb ik in de eerste drieentwintig jaren dat ik in die stad opgroeide en leefde nooit een binnenvaartschip gezien. Voor een beetje bootbewegingen van betekenis moesten mijn vader en ik naar de kopse eindiging van het Eindhovens kanaal om de binnenkomst van Sinterklaas mee te maken. In mijn herinnering toch maar mooi de eerste stoomboot die het hart van de lichtstad wist te bereiken.
De rivier de Arno die je bij de kust van Pisa in zee ziet stromen als je er met het vliegtuig een aanvliegbocht maakt, is best een brede stroom. Daar is de Dommel niks bij, wil ik maar zeggen. Maar hoe breed de kaden in de stad ook zijn, ik zie er geen scheepvaartverkeer, laat staan dat de stad de indruk wekt er iets vanaf de rivier te willen ontvangen. In ieder geval niet vanaf het deel dat ik met mijn geliefde richting het heilige der heiligen van deze stad loop. De rivier wekt tegelijkertijd de indruk onlosmakelijk met de stad verbonden te zijn alsook geen rol van betekenis te willen spelen. Een beetje wat ze ook in de hoofdstad van de Toscane Firenze uitstraalt. Het rampjaar 1975 laat beschrijven waarvoor dit type stille rivieren in dit land dienen als het regent. Of net niet!
Vanaf onze parkeerplek aan de rivier zijn het drie bruggen voordat we de stroom oversteken naar de Dom, de heilige begraafgrond, het baptisterium en de met deze stad verbonden scheve toren. Sinds een paar jaar zijn de intensieve herstelwerkzaamheden voltooid en laat de stad weer bezoekers toe a raison van vijftien euro per persoon. Voor ons is de overgang van het kille weer waaruit we vertrokken en de zonovergoten stad niet onaanzienlijk. Wat onwennig zoeken we de schaduwen van de eeuwenoude gebouwen en laten het tot ons doordringen dat we voet op Italiaanse bodem hebben gezet.
Het zijn nog bijna twee uren kilometers maken en boodschappen doen voordat we na een oververhit bezoek aan Pisa de receptie vinden van ons vakantieresort hartje noordelijke heuvels van de Chianti. Op de stoep treffen we een echtpaar dat ( blijkt later) uit Polen afkomstig is. Binnen horen we de Italiaanse receptioniste een Frans echtpaar uitleg geven waar je in Barberino de beste pizza kunt eten. Dergelijke details, inclusief openingstijden van diverse veraf en dichterbij gelegen bezienswaardigheden, alsook de wijze waarop vers brood te bestellen valt en dat de beste slager in het nabijgelegen Fiano te vinden is, horen we samen met het oostblok stel gemelijk aan.
Ik moet me om meerdere redenen sterk beheersen, voel ik. Een reden is het gele overhemd van de Poolse man. Dat is slechts met twee knoopjes gesloten en laat daarom zicht toe op zijn immense maag. Die puilt op een intens onsmakelijke manier uit het gele hemd tevoorschijn. Waarom ik hem niet vertel dat de wereld er een stuk esthetischer bij staat als hij zijn hemd helemaal dichtknoopt, is slechts een kwestie van de lange dag die we er inmiddels op hebben zitten.
Een volgende reden waarom ik me moet beheersen is het voortduren van de beknopte cursus toeristische trekpleisters in de Toscane die onze receptioniste voortzet bij het Franse stel. Nu is ze begonnen de adresjes te noemen waar werkelijk de beste olijfolie in de streek betrokken kan worden. Als de Fransen ons uiteindelijk passeren bij het verlaten van de kleine ruimte waarin de receptie is gehuisvest, groet de man van het stel ons met een opgelucht au revoir.
Mijn geduld bereikt een historisch laag als ik de receptioniste met onverminderd enthousiasme van wal hoor steken tegen het Poolse echtpaar. De beste pizza in Barberino... Als we eindelijk mogen aanschuiven om onze paspoorten te laten kopiëren en de borg hebben afgedragen, is het onze beurt om de rijkelijk gevulde map met informatie toegelicht te krijgen. Bij het mooie kaartje van het plaatsje Barberino pakt de receptioniste haar pen om de locatie te omcirkelen van een werkelijke superbe pizzabakker. Op dat moment beken ik haar dat ik in de kofferbak van onze auto een fles prosecco heb liggen die nu toch echt in de koelkast van het door ons gehuurde huisje moet komen te liggen.
Deze overgang is abrupt, maar effectief. We krijgen haar vanachter haar receptiedesk vandaan om ons met een sleutel voor te gaan naar ons huisje. Op de luttele meters die we moeten afleggen, horen we nog wel van de slager in Fiano en de openingstijden van de bakker in het dorp de poort van het resort uit rechts. Aan het einde van een lange warme reis die ons dertien uur in beweging hield, zit ik rond half acht eindelijk met mijn lief aan een koel glas prosecco. Wij zijn over.
Jos Rochette
Wat zijn we in Nederland dan toch praktisch! Als er bij ons een rivier door de stad loopt, maken we er ook meteen flink gebruik van. Of het moet de Dommel zijn in mijn geboortestad Eindhoven zijn. Daar heb ik in de eerste drieentwintig jaren dat ik in die stad opgroeide en leefde nooit een binnenvaartschip gezien. Voor een beetje bootbewegingen van betekenis moesten mijn vader en ik naar de kopse eindiging van het Eindhovens kanaal om de binnenkomst van Sinterklaas mee te maken. In mijn herinnering toch maar mooi de eerste stoomboot die het hart van de lichtstad wist te bereiken.
De rivier de Arno die je bij de kust van Pisa in zee ziet stromen als je er met het vliegtuig een aanvliegbocht maakt, is best een brede stroom. Daar is de Dommel niks bij, wil ik maar zeggen. Maar hoe breed de kaden in de stad ook zijn, ik zie er geen scheepvaartverkeer, laat staan dat de stad de indruk wekt er iets vanaf de rivier te willen ontvangen. In ieder geval niet vanaf het deel dat ik met mijn geliefde richting het heilige der heiligen van deze stad loop. De rivier wekt tegelijkertijd de indruk onlosmakelijk met de stad verbonden te zijn alsook geen rol van betekenis te willen spelen. Een beetje wat ze ook in de hoofdstad van de Toscane Firenze uitstraalt. Het rampjaar 1975 laat beschrijven waarvoor dit type stille rivieren in dit land dienen als het regent. Of net niet!
Vanaf onze parkeerplek aan de rivier zijn het drie bruggen voordat we de stroom oversteken naar de Dom, de heilige begraafgrond, het baptisterium en de met deze stad verbonden scheve toren. Sinds een paar jaar zijn de intensieve herstelwerkzaamheden voltooid en laat de stad weer bezoekers toe a raison van vijftien euro per persoon. Voor ons is de overgang van het kille weer waaruit we vertrokken en de zonovergoten stad niet onaanzienlijk. Wat onwennig zoeken we de schaduwen van de eeuwenoude gebouwen en laten het tot ons doordringen dat we voet op Italiaanse bodem hebben gezet.
Het zijn nog bijna twee uren kilometers maken en boodschappen doen voordat we na een oververhit bezoek aan Pisa de receptie vinden van ons vakantieresort hartje noordelijke heuvels van de Chianti. Op de stoep treffen we een echtpaar dat ( blijkt later) uit Polen afkomstig is. Binnen horen we de Italiaanse receptioniste een Frans echtpaar uitleg geven waar je in Barberino de beste pizza kunt eten. Dergelijke details, inclusief openingstijden van diverse veraf en dichterbij gelegen bezienswaardigheden, alsook de wijze waarop vers brood te bestellen valt en dat de beste slager in het nabijgelegen Fiano te vinden is, horen we samen met het oostblok stel gemelijk aan.
Ik moet me om meerdere redenen sterk beheersen, voel ik. Een reden is het gele overhemd van de Poolse man. Dat is slechts met twee knoopjes gesloten en laat daarom zicht toe op zijn immense maag. Die puilt op een intens onsmakelijke manier uit het gele hemd tevoorschijn. Waarom ik hem niet vertel dat de wereld er een stuk esthetischer bij staat als hij zijn hemd helemaal dichtknoopt, is slechts een kwestie van de lange dag die we er inmiddels op hebben zitten.
Een volgende reden waarom ik me moet beheersen is het voortduren van de beknopte cursus toeristische trekpleisters in de Toscane die onze receptioniste voortzet bij het Franse stel. Nu is ze begonnen de adresjes te noemen waar werkelijk de beste olijfolie in de streek betrokken kan worden. Als de Fransen ons uiteindelijk passeren bij het verlaten van de kleine ruimte waarin de receptie is gehuisvest, groet de man van het stel ons met een opgelucht au revoir.
Mijn geduld bereikt een historisch laag als ik de receptioniste met onverminderd enthousiasme van wal hoor steken tegen het Poolse echtpaar. De beste pizza in Barberino... Als we eindelijk mogen aanschuiven om onze paspoorten te laten kopiëren en de borg hebben afgedragen, is het onze beurt om de rijkelijk gevulde map met informatie toegelicht te krijgen. Bij het mooie kaartje van het plaatsje Barberino pakt de receptioniste haar pen om de locatie te omcirkelen van een werkelijke superbe pizzabakker. Op dat moment beken ik haar dat ik in de kofferbak van onze auto een fles prosecco heb liggen die nu toch echt in de koelkast van het door ons gehuurde huisje moet komen te liggen.
Deze overgang is abrupt, maar effectief. We krijgen haar vanachter haar receptiedesk vandaan om ons met een sleutel voor te gaan naar ons huisje. Op de luttele meters die we moeten afleggen, horen we nog wel van de slager in Fiano en de openingstijden van de bakker in het dorp de poort van het resort uit rechts. Aan het einde van een lange warme reis die ons dertien uur in beweging hield, zit ik rond half acht eindelijk met mijn lief aan een koel glas prosecco. Wij zijn over.
Jos Rochette
Overgang (1)
Op zaterdag is het druk op Pisa-airport. Ook midden september. En zeker rond een uur of elf in de morgen als heel de wereld het lekker vindt om te arriveren in de Toscane voor nog een beetje nazomer, renaissance en lekker eten en drinken. Als ervaren reiziger naar deze bestemming weet ik dat het alternatief van achteraansluiten in de rij voor de shuttlebus naar de autoverhuurterminal een wandeling van amper zeven minuten is. Het is de ideale manier om te wennen aan die heerlijke Italiaanse zon die je vanaf de vliegtuigtrap welkom heet. Plus dat het je zomaar de nodige wachttijd kan schelen om niet met een hele bus vol autohuurders te arriveren bij de balie waar jouw autosleutels liggen te wachten.
Was het overigens maar zo simpel. In de vele jaren dat ik nu een auto huur voor mijn vakanties in Italië heb ik de autoverhuurbranche leren kennen als een van de meest inefficiente en klantonvriendelijke wijze van welkom heten van toeristen in je land. Het uitreiken van een autosleutel kost per klant gemiddeld tien minuten. En dat terwijl al die klanten net als ik via internet hebben aangegeven wat ze willen, hoe ze dat hebben betaald met welke creditcard. Ook hebben we allemaal terdege begrepen welke risico s ons te wachten staan ten aanzien van lekke banden, krassen op de motorkap en in het ernstigste geval diefstal van de gehele voiture dat we er niet naar uitzien dat nog allemaal eens te verklaren aan een balie met een slecht Engels sprekende Italiaan.
Maar zo gaat het dus wel. Nog even afgezien dat je het ook kunt treffen dat de huurder net voor jou een creditcard overlegt die het niet doet (toch raar, gisteren kocht ik er nog een jacht mee in Sant Tropez). Meestal reist zo iemand in een uitgebreid gezelschap dat mondeling kan borgstaan voor de kredietwaardigheid van betrokkene, maar nimmer de eigen plastic geldmiddelen aan eenzelfde onvoorwaardelijke test wil blootstellen. Laat ik er helder over zijn: ik kom het liefst bij en zo leeg mogelijke balie uit als het er om gaat mijnhuurauto op te halen. Ach, niets menselijks is mij vreemd in een rij van wachtenden.
Hoe superieur ervaren reiziger waande ik mezelf dan ook toen ik die drukke zaterdag net voor de shuttlebus te voet arriveerde bij de autoverhuurterminal. Daar was de zaterdagse drukte al goed merkbaar. Wat kunnen mensen met koffers toch veel onnutte vierkante meters in beslag nemen. Behoedzaam manoeuvreerde ik me naar de balie waarboven de naam prijkte van het bedrijf waar ik mijn auto had gehuurd. Daar stonden tot mijn glorie welgeteld nul wachtenden en maar liefst twee personeelsleden.
De jongste van de twee nam verbaasd mijn geprinte voucher aan en meldde kort dat mijn auto zou worden uitgereikt door het bedrijf dat in de uiterste hoek van de terminal een minuscule balie had gehuurd. Die met de lange rij, informeerde ik nog. Waarop de tweede collega achter de balie tot leven kwam en dat bijna blijmoedig bevestigde. Het eerste half uur van onze vakantie was daarmee ruimschoots ingevuld. Als je zoekt naar een overgang naar een ander tempo omdat de stress je wat te veel wordt, werd ik op Pisa meteen op mijn wenken bediend. Het zou er niet bij blijven.
Jos Rochette
donderdag 15 september 2011
Rookvrij en blij
Volgende maand is het twee jaar geleden dat ik stopte met roken. Ik maakte op 20 oktober 2009 mijn laatste shaggie uit en daarmee kwam een einde aan een leven met nicotine dat voor mij zesendertig jaar had geduurd. Toen ik als zestienjarige begon, was de wereld nog van de roker. Als ik terugkijk, kan ik me al bijna niet meer voorstellen hoeveel ruimte er in onze samenleving was voor wie er geregeld eentje opstak. Ik heb in vliegtuigen gerookt, in treinen en in alle openbare gebouwen. Ik rookte op school; als stagiair van de Kweekschool - ach nee, ook toen al pedagogische academie - zelfs voor de klas. Ik heb met collega’s hele vergaderruimten blauw van de rook gezet en op mijn werkplek stond een asbak die ik regelmatig moest legen.
Op feesten, in de kroeg en in restaurants staken wij rokers er flux eentje op als het gezellig of lekker moest zijn en het kwam maar een heel enkele keer voor dat iemand daar iets van zei. Dat was dan een lijder aan een longaandoening waarmee je rekening wilde houden. Tot die gunst was je best bereid, maar betreffende persoon moest zich ook weer niet te lang in de buurt van rokers willen ophouden. Alles - en dus ook je lankmoedigheid - had immers grenzen.
Die grenzen kwamen anders te liggen in de loop van de jaren. Ik moet aan mijn collega van ooit denken: Paul heet hij. Die was zijn tijd lang vooruit in zijn bijzonder strenge anti-rookgedrag. Een militant bijna. Hij bestelde grote voorraden niet-rokenstickers en ging die overal opplakken. Hij wist zich in zijn acties gelegitimeerde door onze overheid. Die kondigde af dat er in openbare ruimten - waar de overheid iets te zeggen had - niet meer gerookt mocht worden. Het begin was gemaakt.
Maar Paul ging al snel verder. Onze werkruimten grensden aan elkaar en in de toenmalige beginjaren van de automatisering deelden we een printer. Die stond naast zijn computer en als ik iets geprint had, moest ik kort de deur naar zijn werkruimte openen om het document uit de printerlade te pakken. Op die momenten dreven er naar zijn inzicht kwaadaardige hoeveelheden sigarettenrook uit mijn werkvertrek het zijne binnen. Reden waarom hij midden in de zware merantideur een sleuf ter breedte van een A-viertje liet zagen, niet hoger dan de zaagsnede zelf. Daar voerde hij dan mijn geprinte opdrachten naar mijn kamer door; voor het gemak was er aan mijn kant een postbakje aan de deur geplakt zodat ik niet al mijn prints van de grond hoefde op te rapen.
Pauls getrainde neus bleef echter de nicotinedampen uit mijn kamer bemerken en aangezien ik onze tussendeur niet meer hoefde te openen, kon die ook wel vakkundig worden afgeplakt. Pauls acties leidden tot veel vermaak. Zowel op het werk als op de meestal rokerige verjaarspartijen die ik indertijd bezocht. Zijn acties om rookvrij te kunnen werken hadden iets ridicuuls.
Hoe anders pakte onze overheid het verder aan. Na de invoering van alle maatregelen voelde ik me volkomen ridicuul als ik op de meest winderige hoek van ons kantoorgebouw een trekje moest nemen van mijn sigaret. Of als ik me voor mijn buurtcafé de nieuwe uitsmijter waande omdat ik steeds bij de voordeur stond. Het stoppen was een hele toer, maar de vrijheid die ik won door niet meer ‘te hoeven’ dank ik aan het anti-rookbeleid van onze overheid. En een beetje aan Paul natuurlijk. Toch iets van hem opgestoken, zou ik kunnen zeggen.
Jos Rochette
Op feesten, in de kroeg en in restaurants staken wij rokers er flux eentje op als het gezellig of lekker moest zijn en het kwam maar een heel enkele keer voor dat iemand daar iets van zei. Dat was dan een lijder aan een longaandoening waarmee je rekening wilde houden. Tot die gunst was je best bereid, maar betreffende persoon moest zich ook weer niet te lang in de buurt van rokers willen ophouden. Alles - en dus ook je lankmoedigheid - had immers grenzen.
Die grenzen kwamen anders te liggen in de loop van de jaren. Ik moet aan mijn collega van ooit denken: Paul heet hij. Die was zijn tijd lang vooruit in zijn bijzonder strenge anti-rookgedrag. Een militant bijna. Hij bestelde grote voorraden niet-rokenstickers en ging die overal opplakken. Hij wist zich in zijn acties gelegitimeerde door onze overheid. Die kondigde af dat er in openbare ruimten - waar de overheid iets te zeggen had - niet meer gerookt mocht worden. Het begin was gemaakt.
Maar Paul ging al snel verder. Onze werkruimten grensden aan elkaar en in de toenmalige beginjaren van de automatisering deelden we een printer. Die stond naast zijn computer en als ik iets geprint had, moest ik kort de deur naar zijn werkruimte openen om het document uit de printerlade te pakken. Op die momenten dreven er naar zijn inzicht kwaadaardige hoeveelheden sigarettenrook uit mijn werkvertrek het zijne binnen. Reden waarom hij midden in de zware merantideur een sleuf ter breedte van een A-viertje liet zagen, niet hoger dan de zaagsnede zelf. Daar voerde hij dan mijn geprinte opdrachten naar mijn kamer door; voor het gemak was er aan mijn kant een postbakje aan de deur geplakt zodat ik niet al mijn prints van de grond hoefde op te rapen.
Pauls getrainde neus bleef echter de nicotinedampen uit mijn kamer bemerken en aangezien ik onze tussendeur niet meer hoefde te openen, kon die ook wel vakkundig worden afgeplakt. Pauls acties leidden tot veel vermaak. Zowel op het werk als op de meestal rokerige verjaarspartijen die ik indertijd bezocht. Zijn acties om rookvrij te kunnen werken hadden iets ridicuuls.
Hoe anders pakte onze overheid het verder aan. Na de invoering van alle maatregelen voelde ik me volkomen ridicuul als ik op de meest winderige hoek van ons kantoorgebouw een trekje moest nemen van mijn sigaret. Of als ik me voor mijn buurtcafé de nieuwe uitsmijter waande omdat ik steeds bij de voordeur stond. Het stoppen was een hele toer, maar de vrijheid die ik won door niet meer ‘te hoeven’ dank ik aan het anti-rookbeleid van onze overheid. En een beetje aan Paul natuurlijk. Toch iets van hem opgestoken, zou ik kunnen zeggen.
Jos Rochette
maandag 5 september 2011
Humor
Het huilen stond me nader dan het lachen. Bij wijze van spreken dan. Want om meteen in huilen uit te barsten, moet me wel iets meer overkomen, maar toch. Wat Jan-Dirk daar uithaalde, behoorde niet geheel tot het meest adequate gedragsrepertoir van een zestigjarige. En dat daagde me uit om er maar meteen goed in te hakken, qua reactie.
In onze branche hoor ik wel eens zeggen 'zenden is geen ontvangen' maar deze kwam heus binnen, beloofde ik mezelf. Toen Jan-Dirk zijn punt hand gemaakt, was het 'zenden' geblazen. Natuurlijk, normaliter zeg je zoiets niet tegen een volwassen man in het gezelschap van andere volwassen mannen. Maar het was de enige zomerse zaterdag van deze zomer, we zaten op een terras aan de Rijn en het was niet mijn eerste glas wijn van die middag.
Het was overigens ook niet Jan-Dirks eerste glas bier, maar toch vreemd wat alcohol en een beetje zon met mensen doet. Mensen als Jan-Dirk raken in dit soort omstandigheden blijkbaar aan de melige Belgenmop. Voor we het wisten hoorden we hem er eentje opstarten. "Die twee Vlamingen wilden in Nederland naar het strand, maar maakten rechtsomkeert. Waarom? Bij het bordje Duindicht zagen ze in dat het geen zin had om verder te gaan."
Wat mij betreft had Jan-Dirk daarmee ruimschoots bewezen dat (wij) mannen altijd 'jongetjes' blijven. Want dit type humor is eigenlijk eigendom van mannen als mijn negenjarige kleinzoon Rui David. Die kunnen met leeftijdgenoten hele middagen niet meer uit een deuk komen om dit type moppen en de varianten daarop als Zeeweg, Strandweg, Duinweg... En dat alles steeds weer opnieuw, want als je negen bent, blijft het leuk. Dat hield ik Jan-Dirk dus onverbloemd voor: dat zijn humor me voorkwam als die van een negenjarige knul.
Uiteraard voelden we ons zonder uitzondering prachtig en jong op die vroege zaterdagavond. Acht heren van middelbare en andere gevorderde leeftijd die een familieband met elkaar delen. Het had zo maar een kille middag kunnen worden als Dick me niet meteen was bijgevallen. Ja, Jan-Dirk, daar had Jos gelijk in: een meer melige bak was er die dag nog niet in ons mannengroepje rondgegaan.
Dat we niet al vroeger aan onze meligheid hadden toegegeven had evengoed wat beheersing gekost tijdens onze rondleiding in museum Bronbeek waar ooit een broer van oma had gewoond. De meligheid zat en na een bustocht door Arnhem al behoorlijk aan te komen en het was enkel de intense oorspronkelijkheid van onze gids die voorkwam dat we de geschiedenis van Nederland en Indonesië met onze ongewenste opmerkingen doorspekten.
Hoe situatiegebonden (of juist het missen van een passende situatie) is humor dan ooit. Alles wat er in Bronbeek qua humor niet mocht volgens onze normen, was er op de Rijnkade in gehavende vorm blijkbaar wel ineens. Toen ik mijn geliefde daags na dit voorval erover vertelde, bleek ook ik mijn meligheid nog niet volledig te hebben verwerkt. Zonder context vertelde ik haar ineens een mop van een man die erg depressief was geworden na een lange wandeling door Nederland. Bij navraag hoe dat zo was gekomen, zei de man dat hij het Piekerpad had gelopen. Ik weet niet beter of ik bedacht deze mop daar ter plekke. Ik geef de 'kleine-jongetjespret' van de middag daarvoor maar de schuld. Als humor zo werkt, is het goed om alle dagen wat te lachen over te houden.
Jos Rochette
In onze branche hoor ik wel eens zeggen 'zenden is geen ontvangen' maar deze kwam heus binnen, beloofde ik mezelf. Toen Jan-Dirk zijn punt hand gemaakt, was het 'zenden' geblazen. Natuurlijk, normaliter zeg je zoiets niet tegen een volwassen man in het gezelschap van andere volwassen mannen. Maar het was de enige zomerse zaterdag van deze zomer, we zaten op een terras aan de Rijn en het was niet mijn eerste glas wijn van die middag.
Het was overigens ook niet Jan-Dirks eerste glas bier, maar toch vreemd wat alcohol en een beetje zon met mensen doet. Mensen als Jan-Dirk raken in dit soort omstandigheden blijkbaar aan de melige Belgenmop. Voor we het wisten hoorden we hem er eentje opstarten. "Die twee Vlamingen wilden in Nederland naar het strand, maar maakten rechtsomkeert. Waarom? Bij het bordje Duindicht zagen ze in dat het geen zin had om verder te gaan."
Wat mij betreft had Jan-Dirk daarmee ruimschoots bewezen dat (wij) mannen altijd 'jongetjes' blijven. Want dit type humor is eigenlijk eigendom van mannen als mijn negenjarige kleinzoon Rui David. Die kunnen met leeftijdgenoten hele middagen niet meer uit een deuk komen om dit type moppen en de varianten daarop als Zeeweg, Strandweg, Duinweg... En dat alles steeds weer opnieuw, want als je negen bent, blijft het leuk. Dat hield ik Jan-Dirk dus onverbloemd voor: dat zijn humor me voorkwam als die van een negenjarige knul.
Uiteraard voelden we ons zonder uitzondering prachtig en jong op die vroege zaterdagavond. Acht heren van middelbare en andere gevorderde leeftijd die een familieband met elkaar delen. Het had zo maar een kille middag kunnen worden als Dick me niet meteen was bijgevallen. Ja, Jan-Dirk, daar had Jos gelijk in: een meer melige bak was er die dag nog niet in ons mannengroepje rondgegaan.
Dat we niet al vroeger aan onze meligheid hadden toegegeven had evengoed wat beheersing gekost tijdens onze rondleiding in museum Bronbeek waar ooit een broer van oma had gewoond. De meligheid zat en na een bustocht door Arnhem al behoorlijk aan te komen en het was enkel de intense oorspronkelijkheid van onze gids die voorkwam dat we de geschiedenis van Nederland en Indonesië met onze ongewenste opmerkingen doorspekten.
Hoe situatiegebonden (of juist het missen van een passende situatie) is humor dan ooit. Alles wat er in Bronbeek qua humor niet mocht volgens onze normen, was er op de Rijnkade in gehavende vorm blijkbaar wel ineens. Toen ik mijn geliefde daags na dit voorval erover vertelde, bleek ook ik mijn meligheid nog niet volledig te hebben verwerkt. Zonder context vertelde ik haar ineens een mop van een man die erg depressief was geworden na een lange wandeling door Nederland. Bij navraag hoe dat zo was gekomen, zei de man dat hij het Piekerpad had gelopen. Ik weet niet beter of ik bedacht deze mop daar ter plekke. Ik geef de 'kleine-jongetjespret' van de middag daarvoor maar de schuld. Als humor zo werkt, is het goed om alle dagen wat te lachen over te houden.
Jos Rochette
Abonneren op:
Posts (Atom)