Volgende maand is het twee jaar geleden dat ik stopte met roken. Ik maakte op 20 oktober 2009 mijn laatste shaggie uit en daarmee kwam een einde aan een leven met nicotine dat voor mij zesendertig jaar had geduurd. Toen ik als zestienjarige begon, was de wereld nog van de roker. Als ik terugkijk, kan ik me al bijna niet meer voorstellen hoeveel ruimte er in onze samenleving was voor wie er geregeld eentje opstak. Ik heb in vliegtuigen gerookt, in treinen en in alle openbare gebouwen. Ik rookte op school; als stagiair van de Kweekschool - ach nee, ook toen al pedagogische academie - zelfs voor de klas. Ik heb met collega’s hele vergaderruimten blauw van de rook gezet en op mijn werkplek stond een asbak die ik regelmatig moest legen.
Op feesten, in de kroeg en in restaurants staken wij rokers er flux eentje op als het gezellig of lekker moest zijn en het kwam maar een heel enkele keer voor dat iemand daar iets van zei. Dat was dan een lijder aan een longaandoening waarmee je rekening wilde houden. Tot die gunst was je best bereid, maar betreffende persoon moest zich ook weer niet te lang in de buurt van rokers willen ophouden. Alles - en dus ook je lankmoedigheid - had immers grenzen.
Die grenzen kwamen anders te liggen in de loop van de jaren. Ik moet aan mijn collega van ooit denken: Paul heet hij. Die was zijn tijd lang vooruit in zijn bijzonder strenge anti-rookgedrag. Een militant bijna. Hij bestelde grote voorraden niet-rokenstickers en ging die overal opplakken. Hij wist zich in zijn acties gelegitimeerde door onze overheid. Die kondigde af dat er in openbare ruimten - waar de overheid iets te zeggen had - niet meer gerookt mocht worden. Het begin was gemaakt.
Maar Paul ging al snel verder. Onze werkruimten grensden aan elkaar en in de toenmalige beginjaren van de automatisering deelden we een printer. Die stond naast zijn computer en als ik iets geprint had, moest ik kort de deur naar zijn werkruimte openen om het document uit de printerlade te pakken. Op die momenten dreven er naar zijn inzicht kwaadaardige hoeveelheden sigarettenrook uit mijn werkvertrek het zijne binnen. Reden waarom hij midden in de zware merantideur een sleuf ter breedte van een A-viertje liet zagen, niet hoger dan de zaagsnede zelf. Daar voerde hij dan mijn geprinte opdrachten naar mijn kamer door; voor het gemak was er aan mijn kant een postbakje aan de deur geplakt zodat ik niet al mijn prints van de grond hoefde op te rapen.
Pauls getrainde neus bleef echter de nicotinedampen uit mijn kamer bemerken en aangezien ik onze tussendeur niet meer hoefde te openen, kon die ook wel vakkundig worden afgeplakt. Pauls acties leidden tot veel vermaak. Zowel op het werk als op de meestal rokerige verjaarspartijen die ik indertijd bezocht. Zijn acties om rookvrij te kunnen werken hadden iets ridicuuls.
Hoe anders pakte onze overheid het verder aan. Na de invoering van alle maatregelen voelde ik me volkomen ridicuul als ik op de meest winderige hoek van ons kantoorgebouw een trekje moest nemen van mijn sigaret. Of als ik me voor mijn buurtcafĆ© de nieuwe uitsmijter waande omdat ik steeds bij de voordeur stond. Het stoppen was een hele toer, maar de vrijheid die ik won door niet meer ‘te hoeven’ dank ik aan het anti-rookbeleid van onze overheid. En een beetje aan Paul natuurlijk. Toch iets van hem opgestoken, zou ik kunnen zeggen.
Jos Rochette
donderdag 15 september 2011
maandag 5 september 2011
Humor
Het huilen stond me nader dan het lachen. Bij wijze van spreken dan. Want om meteen in huilen uit te barsten, moet me wel iets meer overkomen, maar toch. Wat Jan-Dirk daar uithaalde, behoorde niet geheel tot het meest adequate gedragsrepertoir van een zestigjarige. En dat daagde me uit om er maar meteen goed in te hakken, qua reactie.
In onze branche hoor ik wel eens zeggen 'zenden is geen ontvangen' maar deze kwam heus binnen, beloofde ik mezelf. Toen Jan-Dirk zijn punt hand gemaakt, was het 'zenden' geblazen. Natuurlijk, normaliter zeg je zoiets niet tegen een volwassen man in het gezelschap van andere volwassen mannen. Maar het was de enige zomerse zaterdag van deze zomer, we zaten op een terras aan de Rijn en het was niet mijn eerste glas wijn van die middag.
Het was overigens ook niet Jan-Dirks eerste glas bier, maar toch vreemd wat alcohol en een beetje zon met mensen doet. Mensen als Jan-Dirk raken in dit soort omstandigheden blijkbaar aan de melige Belgenmop. Voor we het wisten hoorden we hem er eentje opstarten. "Die twee Vlamingen wilden in Nederland naar het strand, maar maakten rechtsomkeert. Waarom? Bij het bordje Duindicht zagen ze in dat het geen zin had om verder te gaan."
Wat mij betreft had Jan-Dirk daarmee ruimschoots bewezen dat (wij) mannen altijd 'jongetjes' blijven. Want dit type humor is eigenlijk eigendom van mannen als mijn negenjarige kleinzoon Rui David. Die kunnen met leeftijdgenoten hele middagen niet meer uit een deuk komen om dit type moppen en de varianten daarop als Zeeweg, Strandweg, Duinweg... En dat alles steeds weer opnieuw, want als je negen bent, blijft het leuk. Dat hield ik Jan-Dirk dus onverbloemd voor: dat zijn humor me voorkwam als die van een negenjarige knul.
Uiteraard voelden we ons zonder uitzondering prachtig en jong op die vroege zaterdagavond. Acht heren van middelbare en andere gevorderde leeftijd die een familieband met elkaar delen. Het had zo maar een kille middag kunnen worden als Dick me niet meteen was bijgevallen. Ja, Jan-Dirk, daar had Jos gelijk in: een meer melige bak was er die dag nog niet in ons mannengroepje rondgegaan.
Dat we niet al vroeger aan onze meligheid hadden toegegeven had evengoed wat beheersing gekost tijdens onze rondleiding in museum Bronbeek waar ooit een broer van oma had gewoond. De meligheid zat en na een bustocht door Arnhem al behoorlijk aan te komen en het was enkel de intense oorspronkelijkheid van onze gids die voorkwam dat we de geschiedenis van Nederland en Indonesiƫ met onze ongewenste opmerkingen doorspekten.
Hoe situatiegebonden (of juist het missen van een passende situatie) is humor dan ooit. Alles wat er in Bronbeek qua humor niet mocht volgens onze normen, was er op de Rijnkade in gehavende vorm blijkbaar wel ineens. Toen ik mijn geliefde daags na dit voorval erover vertelde, bleek ook ik mijn meligheid nog niet volledig te hebben verwerkt. Zonder context vertelde ik haar ineens een mop van een man die erg depressief was geworden na een lange wandeling door Nederland. Bij navraag hoe dat zo was gekomen, zei de man dat hij het Piekerpad had gelopen. Ik weet niet beter of ik bedacht deze mop daar ter plekke. Ik geef de 'kleine-jongetjespret' van de middag daarvoor maar de schuld. Als humor zo werkt, is het goed om alle dagen wat te lachen over te houden.
Jos Rochette
In onze branche hoor ik wel eens zeggen 'zenden is geen ontvangen' maar deze kwam heus binnen, beloofde ik mezelf. Toen Jan-Dirk zijn punt hand gemaakt, was het 'zenden' geblazen. Natuurlijk, normaliter zeg je zoiets niet tegen een volwassen man in het gezelschap van andere volwassen mannen. Maar het was de enige zomerse zaterdag van deze zomer, we zaten op een terras aan de Rijn en het was niet mijn eerste glas wijn van die middag.
Het was overigens ook niet Jan-Dirks eerste glas bier, maar toch vreemd wat alcohol en een beetje zon met mensen doet. Mensen als Jan-Dirk raken in dit soort omstandigheden blijkbaar aan de melige Belgenmop. Voor we het wisten hoorden we hem er eentje opstarten. "Die twee Vlamingen wilden in Nederland naar het strand, maar maakten rechtsomkeert. Waarom? Bij het bordje Duindicht zagen ze in dat het geen zin had om verder te gaan."
Wat mij betreft had Jan-Dirk daarmee ruimschoots bewezen dat (wij) mannen altijd 'jongetjes' blijven. Want dit type humor is eigenlijk eigendom van mannen als mijn negenjarige kleinzoon Rui David. Die kunnen met leeftijdgenoten hele middagen niet meer uit een deuk komen om dit type moppen en de varianten daarop als Zeeweg, Strandweg, Duinweg... En dat alles steeds weer opnieuw, want als je negen bent, blijft het leuk. Dat hield ik Jan-Dirk dus onverbloemd voor: dat zijn humor me voorkwam als die van een negenjarige knul.
Uiteraard voelden we ons zonder uitzondering prachtig en jong op die vroege zaterdagavond. Acht heren van middelbare en andere gevorderde leeftijd die een familieband met elkaar delen. Het had zo maar een kille middag kunnen worden als Dick me niet meteen was bijgevallen. Ja, Jan-Dirk, daar had Jos gelijk in: een meer melige bak was er die dag nog niet in ons mannengroepje rondgegaan.
Dat we niet al vroeger aan onze meligheid hadden toegegeven had evengoed wat beheersing gekost tijdens onze rondleiding in museum Bronbeek waar ooit een broer van oma had gewoond. De meligheid zat en na een bustocht door Arnhem al behoorlijk aan te komen en het was enkel de intense oorspronkelijkheid van onze gids die voorkwam dat we de geschiedenis van Nederland en Indonesiƫ met onze ongewenste opmerkingen doorspekten.
Hoe situatiegebonden (of juist het missen van een passende situatie) is humor dan ooit. Alles wat er in Bronbeek qua humor niet mocht volgens onze normen, was er op de Rijnkade in gehavende vorm blijkbaar wel ineens. Toen ik mijn geliefde daags na dit voorval erover vertelde, bleek ook ik mijn meligheid nog niet volledig te hebben verwerkt. Zonder context vertelde ik haar ineens een mop van een man die erg depressief was geworden na een lange wandeling door Nederland. Bij navraag hoe dat zo was gekomen, zei de man dat hij het Piekerpad had gelopen. Ik weet niet beter of ik bedacht deze mop daar ter plekke. Ik geef de 'kleine-jongetjespret' van de middag daarvoor maar de schuld. Als humor zo werkt, is het goed om alle dagen wat te lachen over te houden.
Jos Rochette
Abonneren op:
Posts (Atom)