donderdag 15 september 2011

Rookvrij en blij

Volgende maand is het twee jaar geleden dat ik stopte met roken. Ik maakte op 20 oktober 2009 mijn laatste shaggie uit en daarmee kwam een einde aan een leven met nicotine dat voor mij zesendertig jaar had geduurd. Toen ik als zestienjarige begon, was de wereld nog van de roker. Als ik terugkijk, kan ik me al bijna niet meer voorstellen hoeveel ruimte er in onze samenleving was voor wie er geregeld eentje opstak. Ik heb in vliegtuigen gerookt, in treinen en in alle openbare gebouwen. Ik rookte op school; als stagiair van de Kweekschool - ach nee, ook toen al pedagogische academie - zelfs voor de klas. Ik heb met collega’s hele vergaderruimten blauw van de rook gezet en op mijn werkplek stond een asbak die ik regelmatig moest legen.

Op feesten, in de kroeg en in restaurants staken wij rokers er flux eentje op als het gezellig of lekker moest zijn en het kwam maar een heel enkele keer voor dat iemand daar iets van zei. Dat was dan een lijder aan een longaandoening waarmee je rekening wilde houden. Tot die gunst was je best bereid, maar betreffende persoon moest zich ook weer niet te lang in de buurt van rokers willen ophouden. Alles - en dus ook je lankmoedigheid - had immers grenzen.

Die grenzen kwamen anders te liggen in de loop van de jaren. Ik moet aan mijn collega van ooit denken: Paul heet hij. Die was zijn tijd lang vooruit in zijn bijzonder strenge anti-rookgedrag. Een militant bijna. Hij bestelde grote voorraden niet-rokenstickers en ging die overal opplakken. Hij wist zich in zijn acties gelegitimeerde door onze overheid. Die kondigde af dat er in openbare ruimten - waar de overheid iets te zeggen had - niet meer gerookt mocht worden. Het begin was gemaakt.

Maar Paul ging al snel verder. Onze werkruimten grensden aan elkaar en in de toenmalige beginjaren van de automatisering deelden we een printer. Die stond naast zijn computer en als ik iets geprint had, moest ik kort de deur naar zijn werkruimte openen om het document uit de printerlade te pakken. Op die momenten dreven er naar zijn inzicht kwaadaardige hoeveelheden sigarettenrook uit mijn werkvertrek het zijne binnen. Reden waarom hij midden in de zware merantideur een sleuf ter breedte van een A-viertje liet zagen, niet hoger dan de zaagsnede zelf. Daar voerde hij dan mijn geprinte opdrachten naar mijn kamer door; voor het gemak was er aan mijn kant een postbakje aan de deur geplakt zodat ik niet al mijn prints van de grond hoefde op te rapen.

Pauls getrainde neus bleef echter de nicotinedampen uit mijn kamer bemerken en aangezien ik onze tussendeur niet meer hoefde te openen, kon die ook wel vakkundig worden afgeplakt. Pauls acties leidden tot veel vermaak. Zowel op het werk als op de meestal rokerige verjaarspartijen die ik indertijd bezocht. Zijn acties om rookvrij te kunnen werken hadden iets ridicuuls.

Hoe anders pakte onze overheid het verder aan. Na de invoering van alle maatregelen voelde ik me volkomen ridicuul als ik op de meest winderige hoek van ons kantoorgebouw een trekje moest nemen van mijn sigaret. Of als ik me voor mijn buurtcafé de nieuwe uitsmijter waande omdat ik steeds bij de voordeur stond. Het stoppen was een hele toer, maar de vrijheid die ik won door niet meer ‘te hoeven’ dank ik aan het anti-rookbeleid van onze overheid. En een beetje aan Paul natuurlijk. Toch iets van hem opgestoken, zou ik kunnen zeggen.

Jos Rochette 

Geen opmerkingen:

Een reactie posten

Opmerking: Alleen leden van deze blog kunnen een reactie posten.